Woordjes leren met je peuter doe je vooral door samen te praten over wat je ziet en doet. Benoem bijvoorbeeld de schoenen bij het aankleden, wijs onderweg een bus aan en bekijk samen een prentenboek. Herhaal nieuwe woorden op verschillende momenten en geef je kind de tijd om te reageren.
Je hoeft er geen lesje van te maken. Een peuter leert woorden juist in herkenbare situaties, tijdens het spelen en doordat jij reageert op wat je kind aanwijst of probeert te zeggen.
Zo kun je woordjes leren met je peuter
Kijk eerst waar je peuter aandacht voor heeft. Wijst je kind naar een hond? Zeg dan bijvoorbeeld: “Een hond! De hond loopt.” Zo hoort je peuter een woord op het moment dat het dier ook te zien is.
Deze manieren passen makkelijk in je dag:
- Benoem wat je doet. Zeg bij het aankleden: “Je sok gaat aan. Nu je andere sok.” Je kunt ook de handelingen van je kind benoemen: “Jij trekt je sok uit.”
- Herhaal een woord in verschillende situaties. Praat over een bal tijdens het spelen, wijs een bal aan in een boek en benoem er een als je die buiten ziet.
- Voeg iets toe aan wat je kind zegt. Zegt je peuter “auto”? Dan kun je antwoorden: “Ja, een rode auto” of “De auto rijdt.”
- Geef tijd om te reageren. Wijs iets aan, zeg het woord en wacht even. Je peuter kan antwoorden met een woord, een geluid, een gebaar of een blik.
- Gebruik woorden die bij de belangstelling passen. Een kind dat graag met dieren speelt, vindt woorden als “poes”, “staart” en “eten” misschien leuk om vaker te horen.
Je hoeft niet steeds te vragen hoe iets heet. Vertel ook zelf wat je ziet. Zo kan je peuter luisteren zonder het gevoel te krijgen dat er een goed antwoord moet komen.
Woordjes oefenen met boekjes en liedjes
Een prentenboek of boekje met duidelijke afbeeldingen geeft je veel aanleiding om woorden te herhalen. Laat je peuter een plaatje aanwijzen en benoem wat erop staat: “Dat is een appel.” Vertel er iets bij, zoals: “De appel is rood.” Je kunt later vragen: “Waar is de appel?” Aanwijzen is ook een antwoord.
Bij liedjes hoort je kind dezelfde woorden vaker terug. Zing een bekend liedje en houd even stil bij een woord dat je peuter herkent. Misschien maakt je kind een geluid, zegt het een woord of gebaart het dat je verder moet zingen. Dat hoeft niet meteen te lukken: samen zingen is ook zonder antwoord een leuke manier om woorden te horen.
Een filmpje met woordjes kan afwisseling bieden, maar laat het niet in de plaats komen van samen praten. Kijk je mee, wijs dan iets op het scherm aan en benoem het. Zie je later hetzelfde voorwerp in het echt, dan kun je het woord opnieuw gebruiken.
Reageer op de woordjes die je peuter probeert te zeggen
Nieuwe woorden klinken niet altijd zoals volwassenen ze uitspreken. Gebruikt je peuter steeds “woef” voor een hond, dan is dat ook een manier om het dier te benoemen. Reageer op de betekenis en geef het gewone woord mee: “Ja, een hond. Die zegt woef.”
Je hoeft je kind niet te laten nazeggen of steeds te verbeteren. Zegt je peuter “to” terwijl je kind een toren aanwijst, dan kun je zeggen: “Een toren! Wat is die hoog.” Zo hoort je kind het woord nog eens, zonder dat het gesprek een toets wordt.
Begrijpt je peuter een woord, maar zegt je kind het nog niet zelf? Blijf het dan gebruiken wanneer het past. Vraag je je af of je kind genoeg woorden begrijpt of gebruikt, bespreek dat dan met het consultatiebureau of je huisarts.
Kies vandaag één woord dat past bij wat je peuter graag doet. Benoem bijvoorbeeld de bal tijdens het rollen, het opruimen en wanneer jullie hem terugzien in een boek.



