De motorische ontwikkeling van je kind is het leren beheersen van bewegingen. Dat begint bij een baby met kijken, voelen en grijpen en gaat verder met onder meer rollen, lopen, tekenen en vangen. Ieder kind ontwikkelt deze vaardigheden in een eigen tempo.
Je kunt je kind helpen door ruimte te geven om veilig te bewegen en te spelen. Maak je je zorgen over wat je kind kan of over de manier van bewegen? Bespreek dat met het consultatiebureau of de huisarts.
Wat valt onder de motorische ontwikkeling van een kind?
Motoriek gaat over alle bewegingen die je kind maakt. Daarbij wordt vaak onderscheid gemaakt tussen grove en fijne motoriek:
- Grove motoriek: grotere bewegingen met de romp, armen en benen. Denk aan rollen, zitten, lopen, springen en een bal gooien.
- Fijne motoriek: kleinere, gerichte bewegingen, vooral met de handen en vingers. Voorbeelden zijn iets oppakken, een bladzijde omslaan en tekenen.
Ook evenwicht en samenwerking tussen ogen en handen horen bij bewegen. Als je kind een blokje ziet, ernaar reikt en het vastpakt, werken kijken en bewegen samen. Die samenwerking heet oog-handcoördinatie.
Grove en fijne motoriek ontwikkelen zich naast elkaar. Een baby oefent bijvoorbeeld met grijpen terwijl die ook leert het hoofd op te tillen. Bewegingen worden gaandeweg vaak gerichter en beter beheerst.
De motorische ontwikkeling van je kind per fase
Het overzicht laat zien welke bewegingen kinderen in verschillende fases kunnen oefenen. Het is geen afvinklijst: niet ieder kind leert dezelfde vaardigheid op precies hetzelfde moment.
| Fase | Voorbeelden van motorische ontwikkeling |
|---|---|
| Baby | Het hoofd optillen, naar speelgoed reiken, voorwerpen vastpakken, rollen en zich verplaatsen. |
| Dreumes | Zich optrekken, leren lopen, voorwerpen oppakken en speelgoed in een bak doen. |
| Peuter | Steviger lopen, rennen, klimmen, tekenen en bladzijden omslaan. |
| Kleuter en schoolkind | Bewegingen verder verfijnen, zoals balanceren, een bal vangen, knippen en schrijven. |
Een vaardigheid ontstaat vaak in kleine stappen. Je kind kan bijvoorbeeld eerst met steun staan, later langs meubels bewegen en daarna losse stappen proberen. Niet alle kinderen volgen precies deze volgorde.
Let ook op de kwaliteit van bewegen. Gaat een beweging met veel moeite, of wordt die na oefenen geleidelijk makkelijker? Dat zegt vaak meer dan één momentopname.
Zo kun je de motoriek spelenderwijs stimuleren
Je hebt geen speciaal oefenprogramma nodig. Dagelijkse momenten geven je kind al kansen om bewegingen te ontdekken. Kies iets wat past bij wat je kind nu kan en blijf erbij als dat voor de veiligheid nodig is.
- Geef een baby ruimte op de grond. Leg speelgoed dichtbij, zodat je baby kan kijken, reiken en bewegen. Leg je baby ook regelmatig kort op de buik terwijl die wakker is en jij erbij blijft. Laat je baby voor het slapen op de rug liggen.
- Maak bewegen uitnodigend. Een kussen om overheen te kruipen of een bal om naar elkaar te rollen kan genoeg zijn om nieuwe bewegingen uit te lokken.
- Laat je kind zelf proberen. Geef bijvoorbeeld tijd om een blokje op te pakken of een jas aan te trekken. Help als dat nodig is, zonder de hele handeling meteen over te nemen.
- Varieer met materialen. Grote blokken, papier, potloden en een eenvoudige puzzel vragen om verschillende handbewegingen.
- Maak er geen wedstrijd van. Herhalen helpt bij het leren, maar oefenen hoeft niet perfect te gaan. Stop of kies iets anders als je kind moe wordt of geen plezier meer heeft.
Let bij jonge kinderen op kleine onderdelen die in de mond passen. Kies speelgoed dat geschikt is voor de leeftijd en houd toezicht. Zorg ook voor een vrije, veilige speelplek, zeker als je kind klimt of net leert lopen.
Wanneer verloopt de ontwikkeling anders?
Kinderen verschillen in tempo en interesse. Het ene kind wil vaak klimmen, terwijl een ander graag met kleine voorwerpen bezig is. Ook kan een kind een tijdlang dezelfde vaardigheid oefenen voordat er iets nieuws zichtbaar wordt.
Niet iedere afwijkende route betekent dat er een probleem is. Sommige baby’s slaan bijvoorbeeld het kruipen over en verplaatsen zich op een andere manier. Kijk daarom naar het geheel: leert je kind geleidelijk nieuwe bewegingen en gebruikt het beide kanten van het lichaam?
Is je kind te vroeg geboren, dan kan een zorgverlener bij jonge kinderen rekening houden met de uitgerekende datum. Dit wordt de gecorrigeerde leeftijd genoemd. Vraag bij twijfel hoe je de ontwikkeling van jouw kind het beste kunt beoordelen.
Wanneer vraag je hulp bij de motorische ontwikkeling?
Bespreek je zorgen met het consultatiebureau of de huisarts. Je hoeft niet te wachten op een volgende afspraak als iets je opvalt. Denk bijvoorbeeld aan deze situaties:
- Je kind leert weinig nieuwe bewegingen of bewegen blijft erg moeilijk gaan.
- Je kind gebruikt steeds duidelijk één kant van het lichaam anders dan de andere kant.
- Je kind lijkt erg stijf of juist slap, of bewegen lijkt pijn te doen.
- Je kind valt opvallend vaak of kan moeilijk meedoen met bewegingen die het graag wil proberen.
- Je kind kan een vaardigheid die het eerder wel beheerste niet meer.
Verliest je kind een vaardigheid, neem dan snel contact op met de huisarts. Ook bij een plotselinge verandering in bewegen is het verstandig direct medisch advies te vragen.
De meeste kinderen kunnen loslopen als ze 18 maanden zijn. Loopt je kind dan nog niet zelfstandig, bespreek dat met het consultatiebureau of de huisarts. Dat betekent niet automatisch dat er een probleem is. Een zorgverlener kijkt naar de ontwikkeling als geheel en kan zo nodig verwijzen naar een kinderfysiotherapeut.
Veelgestelde vragen over motorische ontwikkeling
Wanneer gaat een baby van tijgeren naar kruipen?
Daar is geen vast moment voor. Tijgeren is voortbewegen met de buik op de grond. Bij kruipen komt de buik van de grond en beweegt een baby op handen en knieën. Sommige baby’s gaan van tijgeren naar kruipen, maar niet allemaal.
Wanneer kan een baby staan?
Dat verschilt per kind. Vaak leert een baby eerst staan met steun, bijvoorbeeld aan een meubel. Zelfstandig staan en lopen volgen niet bij ieder kind direct daarna. Laat je baby vooral zelf ontdekken en zet je kind niet langdurig in een houding die het nog niet zelf kan aannemen.
Moet je je kind motorische vaardigheden aanleren?
Je hoeft bewegingen niet steeds voor te doen of te trainen. Ruimte, geschikt speelgoed en de kans om zelf te proberen zijn vaak voldoende. Heeft je kind moeite met bewegen, dan kan een zorgverlener met je meekijken naar passende hulp.
Kijk vooral naar de stappen die je kind zelf zet, hoe klein ook. Een blokje vastpakken, overeind komen of een bal proberen te vangen zijn allemaal manieren om meer controle over bewegingen te krijgen.



